De Vlaamse feestdag in Brussel gaat niet over afkomst. Het gaat over kansen.

Een blauw logo met een witte N. Vandaag zie ik het overal in Brussel. En eigenlijk zie ik het al mijn hele leven. Voor veel mensen is het gewoon het logo van het Nederlandstalige netwerk van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Voor mij – en voor duizenden Brusselaars – betekent het veel meer. Het staat voor kansen. Voor deuren die opengaan. Voor een gemeenschap die mij heeft gevormd. 

Toen mijn moeder 25 jaar geleden koos voor het Nederlandstalig onderwijs, was dat geen evidente keuze. Het was lang voordat Nederlandstalige scholen in Brussel zo populair werden. In onze familie werd daar soms lacherig over gedaan. Op familiefeesten hoorde ik wel eens: “Sale Flamand.” Of: “Jij spreekt Nederlands?” Ik schaamde me soms zelfs om Nederlands te spreken. 

Wat ik toen nog niet wist, was hoeveel die keuze mij zou opleveren. 

De eerste schooljaren waren niet gemakkelijk. Als je de taal nog niet volledig beheerst, begrijp je de leerkracht niet altijd. Maar nog moeilijker is dat de leerkracht jou soms ook niet begrijpt, zeker wanneer je als kind gefrustreerd bent en de juiste woorden niet vindt. 

Tijdens een klassenraad kreeg mijn moeder ooit het advies: “Ilyas moet elke avond naar Karrewiet kijken.” We kwamen thuis en eerst moest mijn moeder die zender nog zien te vinden. Dat lukte een week. Misschien twee. Daarna zocht ze huiswerkbegeleiding. Zo kwamen we terecht bij Foyer, een van de weinige organisaties die toen Nederlandstalige ondersteuning aanboden. 

Van daaruit ging een nieuwe wereld open. 

Bij mijn eerste Nederlandstalige sportclub, Atlemo. Tijdens de twee maanden speelpleinwerking in de zomer. Bij de jeugddienst. Voor het eerst sprak ik ook na school Nederlands. Overal kwam dat blauwe logo met die witte N terug. Project na project ontdekte ik dat het niet zomaar een logo was. Het was een netwerk. Een netwerk dat mij sterker maakte. 

Langzaam verdween de schaamte. De jongen die ooit werd uitgelachen omdat hij Nederlands sprak, werd net fier op die taal en op alles wat ze hem bracht. 

Vandaag sta ik aan de andere kant. 

Als Brussels Parlementslid en lid van de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bezoek ik regelmatig scholen, jeugdwerkingen en verenigingen. Elke keer opnieuw zie ik dezelfde rijkdom: Brusselse kinderen met de meest uiteenlopende achtergronden die samen leren, spelen en opgroeien in het Nederlands. Ik zie leerkrachten, jeugdwerkers, bibliothecarissen, trainers en vrijwilligers die elke dag opnieuw kansen creëren. 

Op 11 juli denken we vaak terug aan de historische Guldensporenslag. Die geschiedenis verdient haar plaats. Maar in Brussel krijgt deze feestdag voor mij nog een extra betekenis. 

Hier gaat Vlaanderen niet alleen over geschiedenis of identiteit. Hier gaat Vlaanderen vooral over toekomst. Over sociale mobiliteit. Over kinderen kansen geven. Over een taal die mensen samenbrengt. 

Daarom geloof ik ook dat we voorzichtig moeten zijn met het afbakenen van wie wel of geen “Vlaming” is in Brussel. Ik begrijp het debat over voorrangsregels, want het zou een evidentie moeten zijn datNederlandstalige ouders zonder alle stress die erbij komt hun kinderen naar Nederlandstalige scholen kunnen sturen. Maar ik voel me soms minder aangesproken wanneer er de indruk gewekt wordt dat Vlaanderen in Brussel slechts aan bepaalde groepen mensen toekomt. Net de openheid heeft ons model zo sterk gemaakt. 

De grootste kracht van het Brusselse N-netwerk is dat het geen exclusief eiland is voor Vlamingen. Het is een open netwerk waar Brusselaars van allerlei afkomst elkaar ontmoeten in het Nederlands. Op school, in de bibliotheek, in de jeugdbeweging, in een sportclub of in een cultuurhuis. Het bewijst elke dag dat een taal mensen kan verbinden zonder hen in een identitair hokje te duwen. 

Ik vier op 11 juli niet alleen de geschiedenis. Ik vier vooral alle kansen die ik dankzij dat netwerk heb gekregen.  

Daarom kruiste ik met veel overtuiging ook voor mij eigen kinderen de Nederlandstalige taalrol aan. Daarom blijf ik me inzetten voor een sterk, open en ambitieus Nederlandstalig netwerk in Brussel. Een netwerk dat niet vraagt waar je vandaan komt, maar dat kinderen helpt vooruit te geraken. 

Uiteindelijk is dat voor mij de mooiste definitie van 11 juli in Brussel: geen muren optrekken, maar deuren openen. 

Ilyas